De jaagvaart

De rivier werd opgevaren tot aan Castillon bij opkomend getij.

In Libourne en Bergerac zullen de “zakkendragers” de aken die niet ter plaatse vernield worden en die door de jaagvaart naar Souillac vertrekken, met zout.

De boten die de stroom opvaren kunnen ook koffie, suiker, citrusvruchten vervoeren. Ze worden getrokken door runderen die het hele parcours door vervangen worden op een jaagpad langs de rivier. Maar er ontstaan talrijke incidenten tussen de aakschippers en de oeverbewoners, terwijl de runderhoeders (aan wie de binnenschippers de voorkeur geven) en de jagers elkaar de markt betwisten. De jagers strijden voor het slepen door mensen en tegen het gebruik van dieren op dit vlak. Zowat twintig mannen zijn nodig om een aak over de 5 kilometer te slepen die twee relais van elkaar scheiden.

Maar er zijn er een honderdtal nodig om delicate plekken zoals de saut de la Gratusse over te steken. Er is zodanig veel concurrentie dat een prefectoraal besluit van 1812 over de jaagomstandigheden in de Dordogne stelt dat: “Het jagen uitsluitend met runderen zal gebeuren in één of meerdere paren, volgens de noodzaak van de plaatsen overal waar de jaagpaden er het gebruik van toelaten. Het jagen met mankracht zal enkel daar mogen gebeuren waar het gebruik van runderen onhaalbaar is en door een aantal mannen dat niet meer dan vijf of zes per boot en per reis of sleeprelais mag bedragen, de mensen van de voortgetrokken boot niet inbegrepen. “. Maar het manoeuvre is geenszins gemakkelijk wanneer de steile de oevers elke doorgang soms verhinderen, zoals op de cingles (riviermeanders) van Trémolat en Montfort. De runderen kunnen er niet door en dan zijn het de jagers die, geholpen door de matrozen, de “cordelle” (touw dat gebruikt wordt om de boten voort te slepen) trekken.

De Dordogne wordt druk bevaren. Dankzij de gegevens van de navigatiekantoren worden er 438 boten in 1858 en 571 in 1860 geteld. In de haven van Bergerac wordt er 180 000 ton goederen verhandeld en het jaar daarop 216 000 ton.