De bedrijvigheid van de “argentats”

Deze argentats worden volgestouwd met timmerhout, duighout (planken van eik en kastanje die gespleten worden) en hoepelhout (buigzaam gemaakte kastanjetakken) dat bestemd is voor de kuipers in de wijnbouwstreek van zuid-Dordogne, zware planken, steunpalen (planken uit acacia of kastanje samengebonden tot bundels) en staken (paaltjes voor wijnstokken).

Ze vervoeren ook kaas uit de Auvergne, huiden, wijn uit Quercy, Domme en Bergerac, kastanjes uit Limousin, veevoer, “soustres” (stenen voor de molenstenen), steenkool uit de mijnen van Argentat en papierbalen uit de papierfabrieken van Mouleydier, Creysse en Couze. Door de moeilijkheden tussen Spontour en Argentat laadden de boten niet de volledige lading in bij het vertrek en voltooiden ze deze op de kaaien van Argentat.

Wie deze argentats bezit “bewerkt de rivier zoals de ploegers de velden bewerken” legt historica Anne-Marie Cocula uit in haar boek La Dordogne des Bateliers. En verder: ” Maar er is een hemelsbreed verschil tussen het bezit van een schuit of een aak die niet meer waard is dan een ezel of enkele rijen slechte wijngaard en het genot van een schip voor de kleine kustvaart dat evenveel waard is als een groot huis onder de bogen van de rue Fonneuve in Libourne: tussen deze twee uitersten ligt een hele waaier rivierschepen. »

De eigenaars-aakschippers gaan naar het belastingkantoor van hun vertrekplaats (Spontour, Argentat, Beaulieu) om er een vrijgeleide te krijgen waarin het gewicht en de inhoud van de lading genoteerd worden. Een lading die heel gevarieerd kan zijn en waarvan we een idee kregen bij de schipbreuk van een boot uit Saint-Capraise in de Bec d’Ambès in februari 1781: “72 planken en 2 zware planken notenhout, 17 zakken noten, 15 schepels losse noten, 2 boekenkasten en 2 secretaires (gebroken), 3 tafels met versierde voet (gebroken), 2 gesloten koffers, 2 zakken kastanjes (beschadigd), 2 tonnen gezouten vlees, 2 potten gans, 2 houten beddenframes, 3 balen oude kleren en veren, 2 zakken met keukenpannen, 4 beddenframes, 2 fusten wijn, 5 poppen uit teenwilg, 1 stromatras…” Wat Anne-Marie Cocula (La Dordogne des bateliers) ertoe aanzet te schrijven dat het hier om “drijvende markten gaat waarvan alleen al de verplaatsing via de rivier een echt huzarenstukje is”!

De « floutayris », met hun katoenen muts op hun hoofd gedrukt, moeten hun boten doorheen de verraderlijke rivier loodsen. Ze nemen de “rajols” en de “malpas”, rotsen waarvan er zich een gedeelte onder water bevindt en de “meilhes” (tegenstromen). Ze moeten echt behendig zijn om niet overstag te gaan wanneer ze de “guerlous” overvaren, armen waar de rivier smaller wordt, rekening houden met de lage waterstanden waardoor ze op het grind kunnen stranden en met de “palas” (rotsbanken). De aakschippers bedienen zich van “astes”, een lange staak, om de boten af te duwen wanneer ze stranden of hen uit de buurt van de vervaarlijke rotsen te houden. Alle aandacht is op de “solle” (bodem van de boot) gericht…

Daarom moeten ze, volgens de plaatsen, “tener drech” (de aak recht houden), “couajar” (wrikken), “sarrar” (aanhalen), “cachar” (duwen) of nog “tirar” (roeien). Onder een canvasdoek (“lou ballin”) die als tent dient, lossen ze elkaar af om van een welverdiende rust te genieten. De lading wordt afgeschermd met een zeil (“prélart”). Er zijn dus talrijke hindernissen zoals de Malpas d’Argentat en vooral de Saut de la Gratusse, stroomafwaarts van Lalinde, en de snelle stroming van Pesqueyroux, stroomafwaarts van Saint-Capraise-de-Lalinde, waar over 570 meter een helling van 3,25 meter overbrugd moet worden. Hier moet men het “gober” (roer) en de roeiriemen stevig vasthouden! Van Castillon tot Bec d’Ambès zijn de binnenschippers overgeleverd aan de stromingen en de getijdegolf, deze lange brekende golf die van de brede riviermond komt en bij opkomend getij tot een meter hoog kan worden wanneer eb en vloed elkaar raken.

Het gebeurt soms dat een aakschipper die uit Argentat vertrokken is, een boot tot aan Souillac vaart vooraleer onmiddellijk ‘s nachts naar Argentat terug te keren om er een andere te halen. Hij doet dan een “doubla tira”. De vaart van Argentat tot Libourne duurt vier dagen. Maar vaak doen de boten er door de weersomstandigheden acht dagen over. De aken laden en lossen in havens zoals Beaulieu, Souillac, Bergerac, Castillon, Libourne, maar vooral in de peyrats, havens die met het hoogstnoodzakelijke zijn ingericht, vaak op gewone oevers waar kruiers en sjouwers die onder het gewicht van de goederen gebukt gaan, druk in de weer zijn.

De bedrijvigheid van de “Couraux”

Van Castillon tot Souillac strekt zich het domein van de couraux uit, schepen die enkel de rivier opgaan, van 10 tot 50 ton, met platte bodem, langwerpig, spits en smal met een open ruim en een achtersteven met brug die de bemanning beschut, met een touw om het schip voort te trekken (cordelle), met 2 tot 3 paar roeiriemen, met één of 2 vaarbomen (lange met ijzer beslagen stokken waarmee op de bodem gesteund kan worden om de boot vaart te geven of om deze van een obstakel te verwijderen). Naast hen voeren de “couralins” of “courpets” van een gelijkaardig type maar met een tonnenmaat van minder dan 15 ton, die als lichterschip dienen of die zout tot aan Souillac vervoeren. Van Libourne tot Bourg en verder voeren de grote coraux met gedrongen, bolle en afgeronde romp met kiel, een heel ander kaliber dan de schepen stroomopwaarts. Met een gesloten ruim van 20 tot 30 ton, een goed tuigage en een echte cabine voor de bemanning, kon de aak in de lage vallei probleemloos zwenken. Rond 1850 veranderden de boten van vorm. De “gewone coraux” waren 20 m lang op 5 m breed en bevatten 40 tot maximum 60 ton, met 1,2 tot 1,5 m diepgang. Ze hadden soms een mast van 13 tot 14 m hoog met een vierkant zeil op een platte bodem, met puntige voor- en achtersteven, die leken op de ” meest gesofistikeerde couraux en courpets” van 15 tot 20 ton, en die enkel bedoeld waren om op te varen ten noorden van Bergerac en Limeuil.